Zoltin teksten 

De  volgende teksten van anderen zijn interessant om het werk van Zoltin Peeter te plaatsen

Achtereenvolgens kunt U lezen:
1. Enkele compacte uitspraken mbt Zoltin Peeter van collega`s en professionals
2. Openingswoord Arno Kramer bij tentoonstelling in Oldenzaal / 2008
3. Artist Statement Zoltin Peeter (vooralsnog onbekend van wie)
4. Openingswoord van Ingrid Blans bij tentoonstelling in Galerie Nanky de Vreeze (2002) 
5. Het dak van het water, de vloer van de hemel  
    Interview door Karen Bies / voor de Moanne / mei 2019

1. Enkele compacte uitspraken mbt het werk van Zoltin Peeter

 

Voormalig directeur (1990 – 2012) van het Kroller Muller museum: Evert van Straaten:

“Ik vond zijn tekeningen zo eigen dat ik besloot om ze op te nemen in de verzameling beeldhouwerstekeningen van het KMM, waaraan met name sinds de opening van de beeldentuin in 1961 is gewerkt. De voorkeur van mijn directe voorgangers en van mijzelf is daarbij niet zozeer uitgegaan naar voorstudies, maar naar tekeningen waar de verbeelding van de kunstenaar een vrije vlucht nam, ons een ruimtelijke illusie voortoverde of juist liet fantaseren over een onuitvoerbare sculptuur. Zoltins gecondenseerde natuurimpressies uit het hoge noorden vond en vind ik nog steeds sterke, mooie beelden, die ik bijvoorbeeld in mijn afscheidstentoonstelling in 2012 samen toonde met tekeningen van Marta Pan, Eylem Aladogan en Loes van der Horst, die ook fenomenen uit de natuur tot uitgangspunt hadden genomen”.

 

Er volgen er binnenkort meer 

 


2. Toespraak Arno Kramer bij opening tentoonstelling

Openingstekst Oldenzaal Maart 2008

 

In 1962 ben ik, als 17 jarige scholier, eens met een vriend, twee maanden door Scandinavië getrokken. Het was een liftvakantie, waarbij ik voor die twee maanden niet meer dan f 285,- te besteden had! Iets wat je je nu nog nauwelijks kunt voorstellen. In Denemarken had ik afscheid van mijn ouders genomen, die ons tot de boot naar Zweden hadden gebracht. We liften verder naar Oslo, waar we een aantal dagen op een camping aan de rand van de stad stonden. Maar we wilden meer. We wilden dolgraag naar het Noorden. Het maakte niet zoveel uit waar precies naar toe.

 

Bij de uitgang van die camping, in Oslo, stond een Nederlandse auto en we vroegen de chauffeur waar hij heen ging en of we een stukje konden meerijden, toen bleek dat hij richting Noorden zou gaan. Dat geschiedde. Sterker nog, uiteindelijk bepaalden wij zo ongeveer waar we naar toe gingen en zo bereikten we na dagen rijden over toenmalige halve grindwegen, de Noordkaap. Ik raakte er van overtuigd dat dit, Noorwegen, een land van ongereptheid en schoonheid,  was waar ik altijd naar op zoek moest zijn geweest in mijn nog jonge leven.

 

Wellicht wel de eerste keer dat ik bij zoiets overweldigend en nieuw, toch ook het gevoel had er te horen, of zelfs een beetje thuis te komen. Omdat ik er merkwaardigerwijs nooit meer naar terug ben geweest, heb ik daarvoor maar als argument bedacht dat het allemaal te overweldigend was en ik de kans niet wilde lopen teleurgesteld te raken als ik opnieuw die reis naar het Noorden zou ondernemen. Zoltin Peeter zou mij nu denk ik gemakkelijk kunnen overtuigen dat dat onzin is. Want het gaat hier niet om mij, het gaat om Zoltin Peeter en wel speciaal over zijn werk. Ik wilde slechts even aanstippen dat ik wel begrip heb voor die liefde die hij heeft gekregen voor Noorwegen en ook specifiek IJsland. 

  

Bladerend in de catalogi en boekjes die ik van Zoltin Peeter heb, zag ik tot mijn verrassing dat hij in feite een heel consequent oeuvre heeft ontwikkeld. Dichtbij zichzelf gebleven, geloof ik en dichtbij, zoals later blijkt, zijn bronnen. Terwijl hij in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, nog grote, min of meer constructivistische installaties maakte van metaal en hout, zijn er in 1984 al enkele reisschetsen van watervallen te zien, die je beslist ook wel in zijn schetsboeken van nu zou kunnen terugvinden. Of het daar werkelijk begonnen is weet ik niet, maar een reis is nooit voor niets geweest. Dat wil zeggen hij is er voor de kunstenaar niet alleen om te genieten van het andere landschap, maar er moest ook altijd worden gewerkt. Dat schetsen en werken in, en deels na de natuur, is gebleven. Die ontdekking van IJsland en Noorwegen in recentere jaren, heeft een enorme invloed gehad op de beeldtaal die uiteindelijk is ontstaan. Sinds hij zijn eerste reis naar IJsland maakte weet hij dat hij daar wat kan vinden, waarvan hij wellicht niet eens wist dat hij het zocht. Het kan niet anders of het moet de stilte en de ruimte zijn die hem raakten. Ruimte laat zich misschien nog wel beeldend vertalen naar landschap en perspectief, maar stilte is veel moeilijker overtuigend te verbeelden. Toch heeft Zoltin Peeter die stiltes al jaren heel persoonlijk vormgegeven in de tekeningen. Hij tekent die stilte in de laatste serie werken, die uitgebreid te zien was in de grote tentoonstelling in het Groninger Museum, door in het beeld vormen meestal niet met elkaar te laten botsen. Als kleine eilanden van contemplatie liggen die vormen op dat witte vel. Er heerst geen visueel kabaal. Er heerst sereniteit, stilte dus, maar geen kilte. De meeste over het papier zwervende vormen zijn gevoelvol en liefdevol getekend. De kunstenaar lijkt soms bewust geen visuele verbindingen te willen maken tussen de afzonderlijk getekende vormen, al schurken ze af en toe wel degelijk tegen elkaar. Die vormen refereren ook maar deels aan waargenomen rotsen en watervallen in het landschap. Ze lijken toch vooral ook in het tekenproces hun definitieve vorm te krijgen. Zij zijn restituties van een waarneming, maar vormen tegelijkertijd ook weer nieuwe oorspronkelijke vormen in zichzelf. Alsof ze ook weer als sculpturen gemaakt zouden kunnen worden en in het landschap teruggeplaatst. Zoltin Peeter lijkt dus met die vormen te spelen in zijn grote tekeningen, geeft ze een nieuwe, eigen plek op die grote witte vellen, waardoor het zijn landschap wordt, hoewel begrenst door de randen van het papier. Hier wordt artistiek landje gekaapt en er worden beelden gearrangeerd die een definitieve plaats krijgen.  Dat je het werk ook wel vanuit een meer esthetisch oogpunt zou kunnen bekijken en duiden is lijkt me nooit nadelig voor beeldende kunst als het tenminste leidt tot een goed en mooi werk.

 

Binnen zijn werk is Peeter de reiziger, de constructeur, de zoeker ook. Of het komt door die reinheid die veel van die Noordelijke landschappen natuurlijk nog hebben, de schonere lucht, de helderheid in het algemeen, er zit eveneens een grote mate van beeldende reinheid in Peeter’s werk. Die zoektocht om vormen zo op het papier te krijgen dat ze zowel een verband met elkaar aangaan, alsook in feite hun eigen plek hebben, lijkt het onbewuste doel in de tekeningen. Maar er is natuurlijk meer. Het is niet het vastleggen van de werkelijkheid die het doel is van schetsen, tekeningen en beelden maken. Het doel is het verwerken van de indrukken en reflecteren op de eigen wijze, met de eigen mogelijkheden, en ook beperkingen op dat landschap. Je neemt het als het ware mee naar huis en daar zal het moeten gebeuren. Verwerkt en bezonken, zal het mogelijk weer die ervaringen en gevoelens oproepen en in de verstilling van het atelier laat de kunstenaar eerst aan zichzelf zien dat het mogelijk is, dat het dan ineens bestaat: een werk van eigen hand met een eigen oorspronkelijkheid. Dat werken aan een autonoom beeld dat is het doel.

  

Het is een evident gegeven dat je als kunstenaar niet anders doet dan reizen in de geest. De blik naar binnen richten heeft het voordeel dat het lichaam niet eerst een afstand heeft moeten afleggen om de geest te stimuleren eventuele nieuwe belevenissen te vertalen naar een beeld. En zoals de stilte kan bestaan bij de gratie van geluid, zo bestaat die stilte in de tekeningen dus bij de gratie van die getekende vormen en dus uiteraard ook bij het wit van het papier. Het is als een ontmoeten op enige afstand. Het houdt de stilte in bewaring. Zoltin Peeter moet hebben gevoeld dat iets hem zocht en dat het op hem wachtte en dat hij binnen de stilte voor een ontmoeting zou staan, die hij kon vertalen naar zijn eigen beeld.

 

Arno Kramer,  Maart 2008

 


3. Artist Statement Zoltin Peeter

(Vooralsnog niet bekend wie en wanneer dit geschreven heeft / is)


Een
paar ijle lijnen, een raster, een vorm als een kiezelsteen: de tekeningen van Zoltin Peeter zijn opgebouwd uit enkele kernachtige motieven. Vormen die ruimte open laten, die zwaarte en lichtheid bij elkaar brengen.

  

Iedere zomer verblijft Peeter enkele weken in het Noorden: IJsland, Scandinavië. Telkens weer laat hij zich overweldigen door het landschap van rotsen en gletsjers. Hij kiest voor een spartaans verblijf, met zijn tekenboekjes als enige luxe. Gretig proeft hij, kijkt hij, ervaart hij het landschap, en maakt hij schetsjes. Soms huurt hij een hut als een geïmproviseerd atelier, om kleine tekeningen te maken.

  

In zijn ruime atelier in Friesland kan hij de indrukken laten bezinken. Hij heroverweegt de ingrediënten waarmee hij is thuisgekomen, zoekt naar combinaties waarmee hij zijn gerechten, zijn grote tekeningen, kan maken. Ook de tijd doet zijn werk: de ervaringen moeten langzaam uitkristalliseren.

  

Door nu al zo`n dertig jaar telkens weer naar het Noorden af te reizen, wordt zijn relatie met het landschap gestaag verrijkt en verdiept. Telkens ontdekt hij nieuwe facetten van wat hij al zo vaak eerder zag. Het is moeilijk te verklaren waarom juist dit desolate landschap hem zo diep raakt. Het landschap echoot, en hij eigent zich die echo`s toe. Caspar David Friedrich, Edvard Munch, Per Kirkeby: het zijn kunstenaars met wie neoromanticus Zoltin Peeter zich verwant voelt in hun sterke verbondenheid met het Noordelijke landschap.

  

Het is de essentie van wat hij daar waarneemt, die hij in zijn grote tekeningen op papier en katoen, en in zijn sculpturen, wil weergeven. Geen herkenbare landschappen, maar beeldtekens. Motieven komen vaker terug en worden verder uitgediept. Binnen het spectrum van zwart- en grijstinten doen alle details ertoe: de verschillende hardheden van potlood, het grote verschil in karakter van een inktlijn of een houtskoollijn.

De tekeningen van Zoltin Peeter hebben een openheid, een transparantie, die ruimte biedt aan het mysterie.


4. Openingstoespraak van Ingrid Blans bij een tentoonstelling van Zoltin Peeter (september 2002)

 

“De naald van het kompas” is de titel van de expositie die Zoltin Peeter dit maal bij Galerie Nanky de Vreeze toont. Hij verwijst naar de twee grote liefdes van Peeter: IJsland en Noorwegen. Landen waarvan de onstuimige en wilde natuur bij voorkeur bronnen van inspiratie voor hem zijn. Waarbij IJsland in de hiërarchie van de muzen net een tree hoger staat. Peeter, filosofisch: “Zo’n muze moet je niet te vaak bezoeken”. Vandaar Noorwegen als alleszins acceptabel alternatief.

 

Peeter blijkt een voorkeur voor het Noorden te hebben, hij woont al 16 jaar ten noorden van Leeuwarden. De boerderij die hem als woning dient, ligt verscholen tussen een wildgroei van bomen en hoog opgeschoten planten en beschikt over een immens hoge schuur, waar in vroeger tijden het hooi hoog opgetast moet hebben gelegen. De dichtst bijgelegen boerderij bevindt zich op een paar honderd meter afstand. Hier dient zich de afwisseling aan: het wijde – horizontale – blikveld van alledag tegenover de – verticale - hoge bergen van zijn muze-landen. Peeter maakt in zijn werk vaak gebruik van deze twee constanten uit de bouwarchitectuur en spreekt van sensuele architectuur, waarmee hij de “architectuur in de natuur” aanduidt. 

De afgelegen veste is bij uitstek een plaats waar in afzondering gewerkt kan worden aan tekeningen en sculpturen. De schuur, die zuinig licht krijgt door beglazing over de hele breedte in de top van het dak, krijgt mede door de alom heersende stilte, het sacrale van een kathedraal.

 

Het werk dat als thema kreeg De naald van het kompas, is het resultaat van een rondreis door Noorwegen van drie weken in de vroege zomer van dit jaar. Peeter legt op reis zijn indrukken vast in kleine schetsboekjes en op dia’s. Voor hem een belangrijke tussenfase voordat hij aan de vertaling van zijn indrukken op papier begint.

De reizen, deze en eerdere, zijn intensief. Hij reist alleen wat maakt dat hij, door niets en niemand belemmerd, veel in zich opneemt. Zijn reis in eenzaamheid betekent niet alleen de verwondering om al het schone, ook dient soms iets van verdriet zich aan. “Het zijn lange dagen. Geen terrassen, geen vrolijke kout met anderen. Alles zeer basic. Loutering vind ik een zwaar woord. Noem het liever confronterend, spartaans”. 

 

Teruggekeerd op de thuisbasis kan het avontuur van de interpretatie beginnen. Het is alsof hij na zo’n werkreis terugkeert met een boodschappenmand vol indrukken en, thuisgekomen, aan het uitpakken slaat. De vreugde om de dingen die werden vergaard, werden ontdekt, krijgt gaandeweg de overhand. Grote vellen papier worden oplettend ingevuld als vertalingen van de impressies van de reis en zijn fascinatie voor water en watervallen. Licht, ruimte, zuiverheid van atmosfeer en landschap, waterruis en vooral géén geruis van steden… Peeter spreekt van “prachtige aanbiedingen”. Hoe vertaal je dat gegeven naar jezelf toe, naar je eigen gemoedstoestand? “Het is altijd weer de spanning van het opzoeken van de randen, het linkerbeen durven zetten voorbij het punt van safety first, want dat is je valkuil. Je eigen referentiepunten binnen de randen aangeven, waardoor je je beeldtaal creëert. En vervolgens het andere been bijzetten. Het is een non-discript proces, ik probeer het terrein telkens iets te verbreden. Maar het diffuse in mijn werk zal altijd blijven bestaan”.

 

Inhoud gevend aan het begrip sensuele architectuur creëert hij ruimte door een raam te suggereren, een trap, perspectieflijnen aan te geven terwijl daar op papier verschijnen een waterval, de waterloop van een stroom, bergkristal, leisteen, een boomstam. De luchtigheid van het water, de gelaagdheid van het gesteente, de broosheid van leisteen, het zijn aspecten die hij in één beeld samenvoegt. Waterverf, houtskool en oilstick zijn hem daarbij behulpzaam.

 

Peeter exposeert ook enkele sculpturen, arte povera-stijl, met minimale middelen tot stand gekomen. Het zijn bouwwerken in half-staat, binnen en buiten is moeilijk aan te geven. Hier gaat hij grover te werk dan bij de subtiele lijnvoering waarmee het werk op papier is uitgevoerd. Toch noemt hij het bouwen aan de sculpturen een belangrijke voedingsbodem voor zijn tekeningen. “Het avontuur loopt gelijk aan dat met de tekeningen. Het is net zo’n uitdaging om een bouwsel van de grond af body te geven. Het is alleen een andere vraagstelling om iets op te bouwen dat refereert aan de noemer van het Noorden. De entree verschilt en het resultaat verschilt”. 

Ingrid Blans,  september 2002

 

  

5. Het dak van het water, de vloer van de hemel  
    
Karen Bies / Interview voor de Moanne / mei 2019

 

In Friesland vond hij de rust om te werken, en tegelijk dreef zijn nieuwsgierigheid hem steeds verder. Kunstenaar Zoltin Peeter reisde graag. Hij keek, maakte schetsen. Ontdekte iets nieuws of liet zich juist verrassen door een bekend beeld. Zo had hij nog graag jaren door willen gaan.

Begin dit jaar kreeg hij het bericht dat hij ongeneeslijk ziek was. Hij wilde de lijdensweg van behandelingen niet doormaken.

We hadden een gesprek een paar weken voor zijn overlijden in mei.

 

Bij de boerderij van Zoltin Peeter (1942) in Hallum zitten we op de steiger naast een sloot, onder een appelboom en een vlier. Rondom groeit weelderig de berenklauw. Het uitzicht is op buurmans koeien in een weiland vol paardenbloemen. 

‘Uitzicht voor inzicht,’ zegt Zoltin Peeter.

Nu met hem te praten, terwijl hij besloten heeft dat hij half mei uit het leven stapt, heeft iets onwerkelijks. ‘Ik wilde u altijd al eens interviewen,’ zeg ik.

‘Beter laat dan nooit,’ zegt hij laconiek. ‘Je mag me tutoyeren hoor.’

 

Zoltin Peeter woont drieëndertig jaar in Hallum, daarvoor tien jaar in een arbeiderswoning tussen Eastrum en Dokkum, met een pakhuis in Berltsum als atelier. ‘Dat was niet handig. Hier heb ik alles onder één dak.’

 

Waarom Friesland?

‘Omdat hier de rust was, op een paar straaljagers na. Voor mijn gevoel kon ik hier een eigen plek creëren, een eigen podium. Dat is heel primair voor mij. Het had ook Groningen kunnen zijn. Ik had contact met Albert Waalkens, de boer in Finsterwolde die kunstboer werd en kunstenaars onderdak bood. Maar zo’n kolonie trok me niet zo. Ik ben graag alleen.’

 

Heb je hier altijd alleen gewoond?

‘Ja.’

 

Je bent geboren in Amsterdam, je vader was kunstenaar. Tekende jij als kind ook graag?

‘Alles wat in mij opkwam. Veel boten en havens. Mijn vader schilderde die ook. Een kind tekent om zijn fantasie en gedachten te visualiseren. Mijn ouders hebben mij altijd erg vrijgelaten. Ik was enigst kind, mocht veel, vriendjes werden hartelijk ontvangen. Tekenen was voor mij spelen. Het werd pas serieuzer toen ik naar de kunstacademie ging. Maar daar werd het spelen verboden, de vrijheid van het kind beperkt. Een uur lang een bloemkool tekenen, nou dank je wel. Daar was ik veel te ongeduldig voor. Ik moest schaduwlijntjes en perspectief tekenen. Ik dacht: fuck perspectief, ik ben met andere dingen bezig. Ze stuurden me van de academie want ik paste niet in het patroon. Maar dat is juist heel goed geweest, vraag maar aan Sjoerd de Vries.’

 

Wat bedoel je, dat de richting die de academie je opstuurt ten koste gaat van de kunstenaar?

‘Het is nu wel verbeterd, er is meer vrijheid. Maar niet elke student kan die vrijheid hanteren. Het is ook moeilijk. Je moet jezelf ontdekken en dat kan eigenlijk niet klassikaal. Ofschoon de confrontatie met medestudenten heel belangrijk is. Waarover je praat in het museum, in het café of bij iemand thuis. Dat geeft andere visies. Of het nu over kunst gaat of over boekhouden, je moet jezelf ontwikkelen, dingen ontdekken.’

 

Wat ontdekte jij?

‘Brutaliteit. Ik ging naar nachtconcerten, ontdekte de Leidseplein-scene, kreeg vriendinnetjes, leerde het leven.’

 

Wist je toen al wat je wilde gaan maken?

‘Ik ben als graficus begonnen. Heerlijk, dat etsen en dat knoeien met inkt. Ik maakte vaak abstracties van water en bouwwerken.’

 

Geen mensen?

‘Nee. Meer een landschap met niet meteen herkenbare vormen.’

 

Hij bleef zijn leven lang werken als kunstenaar. Zijn werk werd geëxposeerd in vele grote Nederlandse musea. In 2009 ontving hij de Gerrit Bennerprijs voor Beeldende Kunst. Het werk van Zoltin Peeter is nu te zien in één van de kabinetten van museum Belvédère in Heerenveen.

 

Hoe kom je eigenlijk aan je bijzondere naam?

‘Op mijn zestiende besloot ik dat ik niet als ‘de zoon van kunstenaar Dick Zwier’ bekend wilde worden. Zoltin is niet zomaar uit de lucht gegrepen, het is afgeleid van de Hongaarse naam Zoltán. De Russen waren Hongarije binnengevallen en mijn ouders hadden vrienden in Hongarije. Mijn voornaam Peter werd de achternaam Peeter. En zo is het gebleven. Wel gek dat ik iets dat ik toen bedacht, zestig jaar later nog heb.’

 

Wanneer begon je succes te krijgen?

‘Best snel. Een galerie had werk van mij, het Stedelijk Museum kocht een paar etsen. Op mijn eenentwintigste kreeg ik de ‘Prix de la Fondation Européenne de la Culture’. Mensen vonden het leuk hoe enthousiast ik was. Het werd herkend, ik kreeg een solotentoonstelling in het Groninger Museum op mijn tweeëntwintigste, fantastisch toch? In de jaren zeventig stond er in de Volkskrant een artikel over het Coopmanshuis in Franeker, waar Thom Mercuur directeur was. Hij wilde mensen nieuwsgierig maken naar kunst. Dat was moeilijk, zei hij, maar hij wou en zou ermee doorgaan. Ik vond dat heel sympatiek, belde hem op en vroeg hem of hij eens naar mijn atelier wilde komen. Hij kwam en zei: ‘Als je in Friesland komt wonen, geef ik je een tentoonstelling’. Dat is ook gebeurd.’

 

We horen een motor in de verte. Dichtbij een vogelgeluid dat we niet meteen herkennen. ‘Een tjiftjaf?’ hoopt Zoltin. Maar het is een gewone meerkoet, met een nogal raar stemmetje. Hij zwemt in de sloot langs de steiger. Ik vraag Zoltin hoe hij de natuur hier beleeft.

‘De weilanden, de paardenbloemen, de koeien, het is altijd heerlijk om ze weer te zien. Gemaaid gras, daar kan geen parfum tegenop. Ik vond hier in het noorden de rust. Op de Waddeneilanden kom ik niet, veel te veel mensen. Voordat ik daar de stilte weer heb gevonden, moet ik eerst door het lawaai heen. Ik fiets graag over bekende weggetjes, ook dat geeft me rust. Op mijn reizen naar Noorwegen en IJsland zie ik interessante nieuwe dingen. Maar de rust die ik hier heb is essentieel voor mij om te kunnen werken.’

 

Ervaar je de natuur in Noorwegen en IJsland anders dan je ervaring hier?

‘De natuur is daar overweldigend, maar de gewaarwording hangt van je visie en je stemming af. Hoe je op die plek gekomen bent, of je er nu je de pest in hebt of blij bent. Al die componenten bepalen of je op dat moment denkt: Geweldig! En met dezelfde ingrediënten voel je je klote. Het kan allemaal. Je kunt het ook omkeren, naar een plek teruggegaan waar je een gelukkige herinnering hebt. Je zult zien, in je fantasie heb je een ideaalbeeld gevormd. Nu mist er een boom of de tent staat scheef, of het ruikt er niet lekker of je moet acclimatiseren. It‘s up to you. Als ik ergens ben ga ik wandelen, ik ga me nestelen, ik ga werken. Ik ontdek iets of vind iets terug. Het is hetzelfde als met mensen ontmoeten. In het begin ben je niet zo zeker, bij een volgende keer denk je: ‘Toch heel waardevol.’ Het heeft met uitzicht en inzicht te maken.’

 

Je onthoudt dingen die je hebt gezien of hebt meegemaakt. Zit dat in je hoofd, of heb jij als kunstenaar ook op een andere manier contact met de natuur gemaakt? Heb je gevoeld, gegraven, ben je overspoeld?

‘Ik heb veel gekanood en in een skiff geroeid. De kracht van het ritme en de spiegeling van het water, het eigen spoor dat je maakt, de wind, de horizon. Zaken die zo zuiver zijn, zo vragend en zo aanbiedend. Zo minimaal en tegelijk zit er een geweldige force in.’

 

Je bent dan heel dichtbij het water.

‘Ja. Ik zat eens op de veerboot naar IJsland. Het water was vlak. Ik zag dat wateroppervlak en dacht: dat is het dak van het water. Hè, en dat is dan tegelijk dus ook de vloer van de hemel! Je dat te realiseren is een hele vreemde gewaarwording. Hoe vaak heb je niet aan zee gestaan, en ineens is er een inzicht dat zich bij je aanbiedt. Het dak van het water, de vloer van de hemel.’

 

Zoltin haalt een paar boekjes op van zijn reizen in Noorwegen. Het zijn schetsen, hij noemt ze ‘steno-tekeningen’. ‘Vertalingen van de dingen die ik zie,’ legt hij uit. ‘Een eerste stap naar abstracties, een beeldtaal die zich ontwikkelt. Het zijn als het ware nieuwe letters, waarmee ik nieuwe woorden vorm, en nieuwe zinnen. En onzinnen. Onzin is ook belangrijk.’

 

Omdat?

‘Omdat het een deel is van de zin. ‘Neem nog een slok,’ denk jij zeker. Het gaat me om de realiteit die mij voedt tijdens een reis. Maar ook niet teveel, want dan zit ik in een geul vast, in een bepaalde richting. Die geul is een valkuil. Iedereen kan zeggen: Mooie valkuil is dat, die herken ik, gisteren nog zo eentje gezien. Maar van mijn werk kunnen ze dat, als het goed is, niet zeggen. Ik ben altijd bezig met vertalingen.’

 

Wat je maakt moet iets nieuws zijn.

Zoltin bladert door het boekje. ‘Kijk, die strepen zijn zo gezet, dat is het punt niet. Tekenen is een vrij directe techniek. Elke lijn die gezet is, is gezet. Je kunt er weer een vlak van maken, maar ergens is een einde. Ik teken vormen. Hier een vervallen stuk gereedschap. Dit een tros touw. Of zoiets.’  Zoltin haalt zijn schouders op. ‘Je kunt het niet zo sterk duiden, hoor. Toevallige krabbels, soms uit verveling. Een knik. Verrek, denk ik, wat een mooie knik is dat. Toeval is heel belangrijk.’

Bedachtzaam: ‘In een reeks van werken hoop ik dat er een opening ontstaat, dat ik denk: nu gaat er iets gebeuren. Een wankel evenwicht tussen brutaliteit: kijk mij eens, helemaal nieuw, en dan het aftasten dat volgt. Nu ben ik op een nieuw terrein, dat ga ik verkennen. Een terrein verkennen is als langzaam… bijna als, excusez le mot, alhoewel er is niks fout aan, als een penetratie.’

 

Wat drijft je?

Hij antwoordt meteen. ‘Nieuwsgierigheid. Ik hoef niet te begrijpen. Als mensen dingen willen begrijpen, dan is het foute boel. Zo van: ik begrijp het, punt. Dan zet je alles op slot. Maar ik wil verder komen, kijken of ik dingen kan koppelen aan elkaar. Liefst geen logische koppeling, want dan krijg je weer een herkenbaar beeld. Daar waak ik voor. Zoltin tekent in de lucht. ‘Hier een body, daar een pijp die geknikt zit, een waterstroom er onder. Andere mensen mogen best iets herkennen.’ Hij bladert weer in zijn boekje. ‘Bijvoorbeeld dit, dit zal een hoogwerker zijn. Vind ik mooi, die zigzagvorm. Maar het lijken horizontaal ook bergtoppen. Hier, kijk. De letter A, de kapitaal, sterk van vorm, net een rotsblok. Maar de kleine letter a is heel anders. Rond, romantisch, sensueel, je buigt hem naar alle kanten. Toch spreek je hem hetzelfde uit. Dat is fantastisch vind je niet? Ik vind dat een fenomeen. En dan zijn er nog zoveel letters. Als je met dit soort dingen begint, dan is je leven te kort.’

 

Hoe merkte je dat er iets met je was?

‘Ik kon niet meer slikken. Huisarts, toen naar de oncoloog, het was duidelijk. Slokdarmkanker. Nog een maand zit ik hier. Ik ben nooit ziek. Ik had in mijn leven nog nooit in een ziekenhuis gelegen en nu heb ik dit.’

 

Kreeg je het bericht dat er niets meer aan te doen was?

‘Nee dat zeggen ze in het ziekenhuis nooit natuurlijk. Er is een operatie mogelijk, een chemokuur, bestraling… maar ik wilde dat niet. Ik ken die verhalen al zo goed. Dapper van mensen die dat doen. Het is voor mij een rationeel besluit. Ik ben niet getrouwd, ik heb geen kinderen, ik heb geen zin om dat gevecht mee te maken. Zo is het. Het is niet goed, maar zo is het het beste voor mij. Al heel snel heb ik besloten dat ik zelf uit het leven wil stappen. Mijn goede vriend Dolph Kessler helpt mij met alles, zakelijk en emotioneel. Ik ken hem al jaren. Als je geen vrouw en kinderen hebt, heb je iemand nodig die je kunt vertrouwen en bij wie je je hart kunt uitstorten.’ Voor het eerst deze middag klinkt zijn stem enigszins onvast.

 

Het lijkt me zwaar om zo’n besluit te nemen. Hoe kies je een moment?

Nuchter: ‘Je kijkt wat er nog moet gebeuren. Een groot deel van mijn werk wordt vernietigd, want ik wil niet dat het in de kringloop terechtkomt. Heb je die grote afvalcontainer niet zien staan op het erf? Vrienden krijgen nog wat werk, ik heb een paar tentoonstellingen kunnen plannen. In Obe, volgend jaar. Later nog een grote expositie in Belvédère. Toch een beetje moeilijk, dat ik ze niet zelf kan openen.’

 

En nu je al dat werk door je handen krijgt.

‘Ja, want het is werk in ontwikkeling. Het is nooit: nu ben ik klaar. Dat is het spijtige eigenlijk. Vooral nu ik werk weg moet doen, denk ik soms: verdorie, dat zou ik nog wel graag eens aan willen pakken. Heel graag zelfs. Maar ik heb de mind en de force er niet meer voor. Het houdt op. Heel vervelend. Er zijn nog wat dingen bezig in mijn hoofd. Een reis in het voorjaar die ik wilde maken, ik ga altijd op de langste dag naar Noorwegen. Dat had ik nu wel graag gedaan. Nota bene vorig jaar heb ik in de uitverkoop een nieuwe tent gekocht.’

 

Kampeerde je altijd in je eentje?

‘Ja, en ik zocht altijd een plek met zo weinig mogelijk mensen. Vroeg in het seizoen, dat er nog geen lawaai is van andere toeristen.’

 

Woon je daarom ook liefst alleen?

‘Ik had als kind veel vriendjes, hoor. Maar alleen zijn kan ik goed. Ik ben ook een heel verantwoordelijk iemand. Samenwonen heb ik geprobeerd, maar dat lukt me niet. Ik kan niet alles tegelijk. Het doet me verdriet als ik haar verdrietig maak, omdat ik zoveel alleen wil zijn.’

 

Je vertelt over de praktische zaken die nu geregeld moeten worden. Lukt het je na te denken over grote dingen, het leven?

‘Het is iets groots, het overdenken dient zich aan. Het is jammer dat het ophoudt. Ik vind wel dat ik een goed leven heb gehad. Mooie vrouwen, mooie reizen, redelijk succesvol met mijn werk. Het kan altijd beter, maar ik ben er zeer content mee. Het is bij mij altijd doorgegaan met die nieuwsgierigheid. De wisselwerking, het één raakt het ander. Ik wil er moeite voor doen. Het geploeter, dingen die fout gaan, verveling, het is allemaal ergens goed voor.’

 

Tijd gehad om te lummelen?

‘Jazeker. Hard lummelen is ook hard werken. Als je iets wilt bereiken, dan moet je je dat absoluut toestaan. Dingen in elkaar zetten. Spelen en rammen. Blij zijn en verdrietig zijn. Je er aan overgeven, jezelf overhoop gooien, om jezelf lachen en huilen. Alles.’

 

Binnen hangen de twee laatste werken van Zoltin Peeter aan de wand. Gemaakt met houtskool, één op katoen, de ander op papier.

Zoltin zegt: ‘Vertel maar wat je ziet.’

‘Eerst even kijken,’ zeg ik.

‘Heel goed,’ zegt hij. ‘Je moet ergens beginnen. Later kun je dat weer weggooien. En zeg het gerust. Het is geen raadsel, hè?’

 

Ik kijk en zeg: ‘Het is een rustig tafereel. Harmonieus, niet woest. Een soort landschap. Er hangt een kabel, of iets dat bengelt in de wind. En dat daar zou een rots kunnen zijn.’

‘Zou goed kunnen.’ Hij wijst. ‘Kijk, hier zou je een vogel kunnen zien. En daar links ook. Die figuur in het midden, een wandelaar. Ik wandel veel in de bergen. Een zelfportret gaat te ver, maar ‘De Wandelaar’ vind ik een goeie naam.’

Ik vraag: ‘Wat vind je ervan dat ik zei: daar bengelt iets, een kabel ofzo, maar dat zijn dus benen?

 

Zoltin slaat op tafel: ‘Ik zei toch dat het geen raadsel is, asjeblieft niet! Au contraire!

We kijken nog een tijdje naar de grote tekening. Ik vraag: ‘Je gebruikt altijd grijs en zwart en wit, heeft dat ook met je behoefte aan rust te maken?’

‘Soms zit er ook kleur in. Maar misschien zijn zwart en wit wel de basis voor mij, ik ben immers als graficus begonnen. Het klopt, er gebeurt zo al genoeg. Ik kan het hiermee vertellen. Er is zoveel, dus ik geef mezelf een opdracht: nu alleen maar dat. Hiermee moet je het doen.’

 

Uitspraken

 

‘Als mensen dingen willen begrijpen, dan is het foute boel. Zo van: ik begrijp het, punt. Dan zet je alles op slot.’

‘Een groot deel van mijn werk wordt vernietigd, want ik wil niet dat het in de kringloop terechtkomt.’

‘Het is iets groots, het overdenken dient zich aan. Het is jammer dat het ophoudt.’